Universiteit Leiden Universiteit Leiden | Bij ons leer je de wereld kennen.

Passende straffen

Onderzoek

Vanuit verschillende disciplines werken onderzoekers van de Universiteit Leiden samen aan innovatieve oplossingen voor maatschappelijke problemen. U vindt hier een voorbeeld op het gebied van rechtsgeleerdheid.

Overzicht wetenschapsdossiers

Voorkomen dat daders weer de fout in gaan

Bega je een misdrijf, dan krijg je een passende straf; elke rechtsstaat kent dat uitgangspunt. Maar wat precies rechtvaardige en effectieve straffen zijn, daarover lopen meningen sterk uiteen. Onderzoek door de Universiteit Leiden voorziet politici, wetgevers, handhavers en het publiek van nieuwe informatie en inzichten over straffen.

Een nieuw hoofddoel maakt straffen ingewikkelder
Dat iedereen achter de rechtspraak en het bijbehorende strafrecht staat, is van fundamenteel belang. Eén van de pijlers van een stabiele maatschappij is een rechtssysteem dat door burgers wordt erkend en vertrouwd. Een constante kritische wetenschappelijke blik op onze straffen helpt om het systeem mee te laten gaan met maatschappelijke veranderingen.

Wetenschappelijk onderzoek naar straffen is des te urgenter omdat er de laatste tien jaar veel is veranderd. Zo lijkt in Nederland het hoofddoel van straffen te verschuiven: van vergelding en afschrikking naar het zoveel mogelijk behandelen en volgen van daders om daarmee de samenleving veiliger te maken. Dit nieuwe hoofddoel maakt het zoeken van de juiste straf een stuk ingewikkelder. Iedere dader is weer anders, en veel mensen die voor de rechter verschijnen kampen met sociale en geestelijke problemen. Welke straf is dan het meest geschikt bij het streven naar succesvolle behandeling en maatschappelijke veiligheid?
Daarnaast bestaan er veel vraagtekens bij de effectiviteit van straffen zoals gevangenisstraf. Tot slot zijn er nieuwe misdrijven bijgekomen, met name op het gebied cybercrime. Binnen dit domein moet het wiel nog helemaal worden uitgevonden: welke straf past bij het stelen van iemands Pokémon of digitale gijzeling via malware?


Kennis over de hele strafketen in Leiden
Voor juridische, criminologische, sociaal-wetenschappelijke en filosofische kennis over bestraffing is Leiden de aangewezen plek. Wetenschappers uit deze disciplines werken hier nauw met elkaar samen. Bovendien richt het Leidse onderzoek zich op de hele strafrechtketen: van het opstellen van de juridische kaders rondom straffen, tot besluitvorming door rechters, tot het leven van daders vóór, tijdens en na hun straf. Door kwantitatief en kwalitatief onderzoek komen ze tot opmerkelijke inzichten. Zo blijken rechters daders met bepaalde etnische achtergrond anders te straffen  dan daders met een andere achtergrond; blijken veel gedetineerden te kort in de gevangenis te zitten om trainingen te volgen die hen juist zouden moeten helpen; moet het vaderschap in gevangenissen geëmancipeerd worden; en is het - paradoxaal genoeg -  geen probleem dat er een kloof bestaat tussen publieke opinie over straffen en daadwerkelijk opgelegde straffen.

Aan de hand van dit soort ontdekkingen adviseren de Leidse wetenschappers allerlei betrokkenen in de strafrechtketen, zoals het Ministerie van Justitie, rechtbanken, gevangenissen en reclassering. Het onderzoek levert een essentiële bijdrage aan het uiteindelijke doel van de strafketen: een veiligere samenleving.

Instituut voor Strafrecht en Criminologie
Faculteit der Rechtsgeleerdheid
Faculteit der Sociale Wetenschappen

Strafoplegging: theorie en praktijk

Het opleggen van een straf wordt voor rechters steeds ingewikkelder. Leidse juristen en criminologen brengen in kaart hoe strafoplegging in Nederland verloopt. Met die kennis adviseren ze wetgever en uitvoerders om strafoplegging consistenter en effectiever te maken.


Het doel van de straf: theorie en praktijk
Een rechter doet bij het opleggen van een straf veel meer dan gewoon maar even in het Wetboek van Strafrecht kijken. Allereerst moeten rechters het moderne doel van straffen - daders in de gaten houden en  behandelen - in het oog houden. En er spelen meer factoren. Bijvoorbeeld: is een straf effectief bij een specifieke dader? Is het voor de maatschappij helder waarom een dader een bepaalde straf krijgt opgelegd?

Pauline Schuyt, hoogleraar Sanctierecht en Straftoemeting, onderzoekt de totstandkoming van wettelijke kaders rondom straffen - wat beoogt de wet met een straf? Vervolgens onderzoekt ze hoe betrokkenen die kaders in de praktijk brengen. Hoe gaan rechters bijvoorbeeld om met het doel van een straf, en hoe kan strafoplegging worden verbeterd? Aan de hand van dit onderzoek geeft ze adviezen aan betrokkenen zoals rechters, reclassering, gevangenisdirecteuren en het Ministerie van Justitie. Ook traint ze rechters om hun beslissingen goed uit te kunnen leggen.

Schuyt licht de worsteling van rechters toe: ‘Niet alleen het doel van straffen is de afgelopen tien jaar veranderd, maar ook het soort misdaden. Denk aan de opkomst van cybercrime. Ook het soort daders is anders geworden, waarbij opvalt dat het aantal verdachten met een lagere intelligentie (licht verstandelijk beperkten), en verdachten die  kampen met psychologische of psychiatrische problemen, toeneemt. De straf die een rechter oplegt wordt steeds meer een soort behandelplan dat bestaat uit een straf in combinatie met voorwaarden zoals behandeling en onder toezichtstelling.’
 

‘Maar een rechter is geen gedragsdeskundige. Dat kan leiden tot een straf met voorwaarden die niet het gewenste effect hebben op een dader of die bij een dader niet uitvoerbaar zijn. Hierdoor ontstaat een schijnveiligheid; de maatschappij denkt dat een dader voortdurend in de gaten wordt gehouden, terwijl dat niet zo is.’

Schuyt legt onder meer vergelijkbare zaken naast elkaar en bekijkt hoe rechters in deze zaken tot een straf komen. De trends die ze op die manier ontdekt, kan ze verwerken in beleidsadvisering voor de gehele strafrechtketen.

Balie in de gevangenis met opschrift 'Binnen beginnen om buiten te blijven'

Balie in de gevangenis met opschrift 'Binnen beginnen om buiten te blijven'


Strafoplegging: trends en effecten
Waar Pauline Schuyt strafoplegging vanuit juridisch oogpunt onder de loep neemt, zoomen andere Leidse onderzoekers in op de praktijk: wat gebeurt er allemaal en wat kunnen we daarvan leren? Zo onderzoekt criminologe Hilde Wermink hoe beslissingen in het strafproces, door rechters of officieren van Justitie, tot stand komen. Vervolgens kijkt ze naar de effecten van straffen in de levensloop van daders. Ze komt tot  opmerkelijke conclusies.

Zo vergeleek ze het effect van werkstraffen en gevangenisstraffen op recidive. Ze onderzocht de gegevens van mensen die in 1997 in Nederland voor het eerst een werkstraf of een gevangenisstraf opgelegd hadden gekregen. Zes maanden na het eind van hun straf bleek dat de recidive onder daders met een taakstraf  ongeveer 50% lager was dan de recidive onder mensen met een gevangenisstraf. ‘Deze conclusie  kwam op een moment dat er  een discussie gaande was of die werkstraffen maar niet beter konden worden afgeschaft. Dit soort onderzoek kan  heel behulpzaam zijn bij het nemen van onderbouwde beslissingen over het toepassen van straffen. Bovendien levert dit soort onderzoek een antwoord op de vraag hoe effectief bepaalde straffen zijn.’

Uit een ander onderzoek van Wermink bleek dat daders uit bepaalde etnische minderheidsgroepen een grotere kans maken om een gevangenisstraf opgelegd te krijgen. Ook kregen ze vaak een langere gevangenisstraf opgelegd voor een vergrijp dan andere daders. ‘Hoe dat precies komt weten we nog niet’, vertelt Wermink. ‘Maar het is hoe dan ook een opvallend resultaat. Dit soort bevindingen zijn van

belang om naar wetgever en uitvoerders te communiceren, omdat ze mogelijk onbewuste processen in het strafproces blootleggen door middel van empirisch onderzoek. Ook kan het onderzoek meer inzicht geven in de factoren die structureel straftoemetingsbeslissingen beïnvloeden.’

Met de feiten en cijfers die Wermink naar boven haalt, kan het proces van strafoplegging in Nederland worden aangescherpt. Naast wetenschappelijke publicaties schrijft ze rapporten in opdracht, onder meer voor de Raad voor de Rechtspraak.

Zijn er onbewuste processen en factoren die een structurele rol spelen bij de beslissingen die strafrechters maken? (de afgebeelde personen hebben geen relatie met de inhoud van het verhaal)

Zijn er onbewuste processen en factoren die een structurele rol spelen bij de beslissingen die strafrechters maken? (de afgebeelde personen hebben geen relatie met de inhoud van het verhaal)

De uitvoering van gevangenisstraffen

Hoe beter de behandeling van gedetineerden, hoe effectiever de gevangenisstraf, zo blijkt. Leidse criminologen onderzoeken daarom hoe detentie kan worden verbeterd, onder meer op gebied van leefklimaat en contact tussen gedetineerden en hun kinderen.


Leefklimaat in gevangenissen
Er is een groeiende aandacht binnen de detentiewereld voor het leefklimaat binnen de gevangenissen. De manier waarop mensen ingesloten worden, is van invloed op de manier waarop ze weer de maatschappij instappen, zo wordt gedacht. Het gaat dan om aspecten zoals het contact met medegedetineerden en medewerkers, veiligheid, autonomie en de mogelijkheid contacten te onderhouden met de buitenwereld. Op wetenschappelijk gebied weten we eigenlijk nog weinig over het leefklimaat in Nederlandse gevangenissen en de effecten daarvan binnen detentie en na afloop van detentie.

Hanneke Palmen, Anouk Bosma en Esther van Ginneken proberen meer over leefklimaten te weten te komen via het Life in Custody-project (LIC): een landelijke survey onder gevangenen die het leefklimaat, zoals ervaren door de gedetineerden zelf, in kaart brengt. Het LIC-project moet antwoord geven op een aantal vragen. Ten eerste: is er een relatie tussen het werkklimaat onder het personeel van gevangenissen en het leefklimaat voor gevangenen? ‘Je zou je kunnen voorstellen dat, als werknemers bijvoorbeeld een hoge werkdruk ervaren, dat gevolgen kan hebben voor de manier waarop gedetineerden ingesloten worden, en daarmee dus ook voor het leefklimaat binnen de gevangenis', vertelt Palmen.

Een tweede vraag is of er een relatie is tussen het leefklimaat en gedrag in de gevangenis. Worden gevangenen bijvoorbeeld agressiever bij een slecht leefklimaat? Uiteindelijk wil het LIC-project de uitkomsten van het onderzoek koppelen aan recidivecijfers. Palmen: 'Het leefklimaat verschilt per regime en mogelijk ook per gevangenis. Straks kunnen we bekijken of bepaalde aspecten van het leefklimaat positief of negatief samenhangen met recidivecijfers, of dat het

leefklimaat in gevangenissen, hoewel essentieel voor een menswaardige insluiting van daders, wellicht minder gerelateerd is aan gunstige lange termijn effecten na detentie dan soms gedacht wordt.'

Zo'n 6.000 mannen en vrouwen, uit alle penitentiaire inrichtingen in Nederland, stuurden ingevulde vragenlijsten terug. Deze schat aan data wordt nog door Palmen, Bosma en Van Ginneken geanalyseerd, in hun reeks van rapporten zullen ze de komende jaren uitkomsten en aanbevelingen publiceren.

Beinvloedt het leefklimaat in de gevangenis het gedrag van gedetineerden?

Beinvloedt het leefklimaat in de gevangenis het gedrag van gedetineerden?


Kinderen, detentie en ouderschap
Vijfennegentig procent van de gedetineerden in Nederland is man en één op de drie mannen in detentie heeft kinderen. Niet alleen de vaders, maar ook hun gezinnen ondervinden onbedoelde effecten van gevangenisstraffen. Onderzoek toont aan dat de afwezigheid van de vader tot gebrekkige opvoeding en armoede leiden en dat kinderen gedragsproblemen ontwikkelen. Tegelijkertijd vormt het gezin een beschermende factor. Onderzoek bij gedetineerde moeders laat zien dat moeders die een relatie kunnen onderhouden met hun gezin, hun gevangenisstraf als minder stressvol beleven en een minder groot risico lopen om na hun straf weer in de fout te gaan.

Onderzoeker Joni Reef kijkt naar de gevolgen van opsluiting, zowel voor gedetineerde vaders als voor hun kinderen. ‘Kinderen van gedetineerden zitten vaak al in een grillige gezinssituatie voordat vader gearresteerd wordt’, vertelt Reef. ‘Deze kinderen hebben vaker lichamelijke, psychische en emotionele problemen. Ze hebben het daardoor lastig op school, of komen in aanraking met de politie. Als we kijken naar de vaders weten we dat gedetineerden vaker stiefkinderen en kinderen bij verschillende moeders hebben. Ook komt tienerouderschap vaker voor bij gedetineerde vaders.’

De negatieve effecten van een gevangenisstraf zijn voor vaders en moeders van andere orde dan voor gedetineerden zonder gezin. Hoewel er relatief veel aandacht is voor de kinderen van gedetineerde moeders, is er voor kinderen met een vader in detentie minimale aandacht. Toch is de impact zowel voor kwetsbare kinderen, als hun vastgezette vaders, groot. ‘Zodra vader in detentie zit, kan dat vooral voor jongens een probleem vormen omdat ze een rolmodel en opvoeder verliezen. Het risico dat jongens zelf ook in crimineel gedrag vervallen wordt daarmee groter. Detentie heeft verder impact op het gezin omdat het vaak de vader is die de hoofdkostwinner is, en zijn inkomen vervalt. Een gevangenisstraf kan dus veel nieuwe, extra risicofactoren opleveren: moeder moet gaan werken en kan minder aandacht aan de kinderen geven. Ze krijgen minder voeding en schone kleren, minder aandacht voor negatieve emoties, het gezin staat onder grote druk. Overigens kan ook getuigenis van een arrestatie van vader al een litteken geven.’
Vaders in detentie vinden contact met hun kinderen belangrijker dan we denken, maar hun vaderschap geeft ook kopzorgen, zo blijkt. Reef: ‘We weten dat 85 % van de vaders graag contact wil met hun kinderen. De 'mannencultuur' in gevangenissen zorgt er echter voor dat mannen weinig over hun kinderen praten. Dat is niet stoer, en het maakt  bovendien kwetsbaar voor bedreigingen tegen het gezin door medegevangenen. Het is wat dat betreft echt tijd voor een gezinsgerichtere aanpak in Nederlandse gevangenissen.’

Reef pleit  voor een 'emancipatie van de verdachte vader'. Ze adviseert uiteenlopende ketenpartners waaronder de Dienst Justitiële Inrichtingen, Exodus, de Nationale Politie en werkt met hen samen om meer aandacht voor het vaderschap te genereren, en manieren te bedenken om de schade bij betrokken kinderen te beperken. ‘Zo ben ik, samen met Pauline Schuyt, betrokken bij een pilot in de gevangenis in Leeuwarden waarbij kinderen naar de gevangenis worden gehaald om tijd door te brengen met hun vader, en vaders de gelegenheid wordt geboden contact te houden en op te voeden. Ze gaan bijvoorbeeld samen huiswerk maken, vaak leert de vader daar ook nog wat van. We verwachten winst voor alle gezinsleden én recidivevermindering voor de maatschappij.’

Bedoelde en onbedoelde effecten

Vaak krijgen daders korte gevangenisstraffen opgelegd. Dikwijls gaat het vóór de straf al niet goed met deze daders, bijvoorbeeld bij het vinden van een baan. Een korte detentie kan de toch al kwetsbare uitgangspositie van daders verslechteren. Doorlopende begeleiding na een straf verdient daarom aandacht. Leidse wetenschappers trekken dit soort conclusies door onderzoek naar bedoelde en onbedoelde effecten van detentie.


Prison Project
Hoewel er in de afgelopen 50 tot 100 jaar veel algemene inzichten over gevangenisstraf zijn gekomen, is er op detailniveau nog heel weinig empirisch onderzoek gedaan naar het effect. Om meer over bedoelde en onbedoelde effecten van gevangenisstraf te weten te komen, volgden criminoloog Paul Nieuwbeerta en zijn collega's in het Prison Project tussen 2010 en 2015 ongeveer 1900 gedetineerden. De deelnemers werden meerdere keren geïnterviewd: vanaf hun voorlopige hechtenis in een Huis van Bewaring, tijdens hun gevangenisstraf, 6 maanden na vrijlating en 24 maanden na vrijlating. De vragen gingen over allerlei factoren die vermoedelijk ervoor zorgen dat mensen (opnieuw) een strafbaar feit plegen, zoals woonsituatie, werk, partner, lichamelijke en psychische gezondheid en normen en waarden.

 

Nieuwbeerta: ‘Wat onder meer opviel: gevangenisstraffen zijn heel erg kort. De helft van de gedetineerden uit het onderzoek kwamen uit een Huis van Bewaring en hoefden daarom nog maar een korte straf uit te zitten. Daarnaast bleek dat veel mensen met uiteenlopende sociale problemen kampen. Ze zijn bijvoorbeeld dakloos, of hebben geen werk, vaak gaat het om jongeren met een instabiele gezinssituatie die bovendien moeite hebben om een baan te behouden. De lichamelijke en psychische gezondheid van veel deelnemers was slecht. Dit maakt het onderzoek naar het effect van de gevangenisstraf moeilijk: na detentie gaat het vaak niet goed met deze groep, maar dat was ook al zo vóórdat ze in de gevangenis terechtkwamen.’

In het Huis van Bewaring worden verdachten ‘in hechtenis’ opgesloten in afwachting van bijvoorbeeld een proces. In hechtenis zitten is minstens even zwaar als in de gevangenis zitten doordat er een streng regime gevoerd wordt. Dit wordt gedaan omdat er verdachten van zowel lichte als zware misdrijven bij elkaar zitten. foto: Penitentiaire inrichting 'De Schie' in Rotterdam, bron: Wikipedia

In het Huis van Bewaring worden verdachten ‘in hechtenis’ opgesloten in afwachting van bijvoorbeeld een proces. In hechtenis zitten is minstens even zwaar als in de gevangenis zitten doordat er een streng regime gevoerd wordt. Dit wordt gedaan omdat er verdachten van zowel lichte als zware misdrijven bij elkaar zitten. foto: Penitentiaire inrichting 'De Schie' in Rotterdam, bron: Wikipedia


Uitzicht op werk
Die conclusie gaat bijvoorbeeld op voor de arbeidsmarktperspectieven van gevangenen. Anke Ramakers onderzocht binnen het Prison Project de perspectieven van gedetineerden voor, tijdens en na hun straf. Ze vertelt over enkele uitkomsten: 'Een substantieel deel van de gedetineerden bleek, voorafgaand aan hun straf, geen werkervaring te hebben. Degenen met werkervaring  hadden dikwijls een instabiel arbeidsverleden met verschillende korte baantjes, ontslagen en deelname aan zwart werk. We hebben ook gekeken of de gedetineerden tijdens hun gevangenisstraf gebruik maakten van de mogelijkheid om te werken (gevangenen kunnen werk voor bedrijven verrichten, zoals inpakwerkzaamheden, red.) of deelnamen aan cursussen, zoals een training arbeidsvaardigheden of cognitieve gedragstherapie. Vaak bleek dat hun staf te kort was om aan zo'n cursus mee te mogen doen: veel cursussen hebben als criterium dat gedetineerden een straf van vier maanden of langer uitzitten. Na hun straf komen gevangenen vaak weer in het circuit van wisselende baantjes terecht.'

Ramakers: 'Onze conclusie luidt dat het effect van detentie op arbeidsmarktperspectieven op zich niet zo groot is. Het gaat na detentie niet significant slechter met mensen op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd lijkt de

(korte) periode in detentie ook niet te zorgen voor een verbetering van arbeidsperspectieven. Begeleiding na vrijlating lijkt gewenst om de situatie, die vóór detentie vaak al niet goed was, te verbeteren. Een andere interessante vondst: van de mensen die wel een baan hadden voor hun detentie kon een significant deel na hun straf weer terugkeren naar die baan. Dit zou misschien vaker kunnen gebeuren als gedetineerden gedurende hun detentie gestimuleerd en gefaciliteerd worden om contact te zoeken met vroegere werkgevers.'


 

Na detentie gaat het met ex-gedetineerden opmerkelijk genoeg niet significant slechter op de arbeidsmarkt.

Na detentie gaat het met ex-gedetineerden opmerkelijk genoeg niet significant slechter op de arbeidsmarkt.

Conclusies
Nieuwbeerta noemt enkele opvallende algemene conclusies op over bedoelde en onbedoelde effecten van een langere gevangenisstraf. ‘Een aangetoond bedoeld effect van een langere gevangenisstraf is dat het daders die een rationele afweging maakten om een misdaad te plegen, afschrikt om nogmaals zo’n misdrijf te plegen. Daarnaast blijkt een langere gevangenisstraf ook positief te werken voor de onbedoelde effecten. Ex-gedetineerden raken vaak hun huis, hun werk en hun relatie kwijt, wat de kans op recidive vergroot. Een langere tijd in de gevangenis zorgt ervoor dat je trainingen kunt aanbieden, zoals agressieregulering of arbeidsscholing. Dit verhoogt hun kansen op een betere sociale situatie na hun detentie.’

De komende tijd gebruiken de Leidse wetenschappers alle uitkomsten van het Prison Project voor verder onderzoek. Zo kunnen ze gedetailleerde adviezen geven om de uitvoer en de effecten van gevangenisstraf te verbeteren.

 

Prison project
Nieuwsbericht onderzoek leefklimaat in Nederlandse gevangenissen

De filosofie van de straf

Om een valide strafsysteem te behouden, moet je de grotere vragen rondom straffen blijven stellen: waarom straffen we? Wat mag de overheid wel en niet op dit gebied? Rechtsfilosoof Jeroen ten Voorde bekijkt dit soort vraagstukken en houdt zijn wetenschappelijke collega's en het publiek scherp.


Het debat voeden
Waarom straffen we en waarom mag er gestraft worden door de overheid? Dat is een vraag waar al heel erg lang over wordt nagedacht. Die vraag blijft actueel omdat veranderende tijden telkens om nieuwe oplossingen vragen. Nieuwe gegevens over de tenuitvoerlegging van straffen, roepen nieuwe theoretische vragen over straf op.
'Als blijkt  dat gevangenisstraf een onbedoeld, negatief effect heeft op de familieleden van een gedetineerde', zegt Ten Voorde, 'accepteren we dan die onbedoelde effecten? Vinden we de gevangenisstraf als middel dan nog steeds rechtvaardig, of fatsoenlijk? Dit is het soort vragen waar ik over nadenk en die ik voorleg. Met als doel: het wetenschappelijk en publieke debat uitdagen en inconsistente argumentatie bijstellen.'

 

Het blijft niet alleen bij vragen stellen over straffen. Ten Voorde neemt ook stelling in. Bijvoorbeeld over juridische maatregelen zoals schadevergoeding of TBS, die al dan niet in combinatie met een straf kunnen worden opgelegd. 'Er zijn regels verbonden aan het bedenken en toepassen van straffen. Straffen moeten proportioneel zijn, ze zijn aan grenzen gebonden. Maatregelen staan over het algemeen losser van het gepleegde feit. Een maatregel zoals levenslang toezicht vind ik een

De filosofie van de straf

verhulde straf. De term 'maatregel' lijkt dan een argumentatieve truc te zijn om de regels te omzeilen die aan straffen zijn verbonden. Ik zet  vraagtekens bij zo'n maatregel. Of neem een bestuurlijke maatregel als het alcoholslot. Die werd opgelegd als een bestuurder te veel heeft gedronken, daarnaast werd dikwijls  ook nog een boete opgelegd. Dat kwam neer op een dubbele straf. Is dat nog fatsoenlijk? Kennelijk dacht de overheid in eerste instantie over die maatregel: dat moet kunnen. De rechter heeft de overheid teruggefloten. Maar je ziet aan dit voorbeeld  dat het heel belangrijk is dat juristen en filosofen over dit soort vernieuwingen nadenken en een mening formuleren.'


Het denkproces rondom straffen
Op dit moment houdt Ten Voorde zich bezig met de vraag waarom mensen bepaald gedrag strafbaar stellen. 'Denk aan het boerkaverbod, of wraakporno, of pesten. Kan dat eigenlijk wel strafbaar worden gesteld? Waarom willen we dat gedrag precies bestraffen: is dat omdat er schade wordt aangebracht of zijn er nog andere argumenten? Zef Faassen, een promovendus die mede door mij wordt begeleid, doet nu onderzoek naar schade en de vraag of bij de beoordeling van bepaald gedrag ook andere factoren een rol spelen. Bij virtuele kinderporno kun je je bijvoorbeeld afvragen: wie lijdt er precies schade? Men zegt: niemand. Toch stellen we het strafbaar. Zef stelt niet alleen filosofische vragen, maar wil ook empirisch onderzoek doen om te bezien op basis waarvan mensen virtuele kinderporno negatief waarderen. Dit is een heel nieuwe tak van onderzoek, die verschillende wetenschapsgebieden kan helpen om bestaande antwoorden over strafbaarstellingen te ontkrachten of te verfijnen.'

Ten Voorde houdt niet alleen wetenschappelijke collega's en studenten een spiegel voor, maar geeft ook dikwijls lezingen voor een breder publiek. 'Wetenschappers moeten mensen prikkelen en tot nadenken aanzetten. Ik zie dat vaak gebeuren bij lezingen. Bijvoorbeeld als ik mensen het dilemma rondom de Verklaring Omtrent Gedrag voorleg.’ Ex-gedetineerden hebben deze Verklaring nodig om bepaalde banen te krijgen, maar de overheid geeft hen dat document bijna nooit, ook als de Verklaring nodig is voor een baan die niets te maken heeft met het gepleegde feit. ‘Met alle consequenties van dien. Als je die situatie voorlegt aan leken laat je de begrenzing zien van wat de overheid wel en niet mag, en laat je de inconsistentie van overheidsargumentatie zien. Dat mensen vervolgens mij een spiegel voorhouden, is natuurlijk ook erg leuk.’

Straffen in de publieke opinie

Vaak hoor of lees je dat burgers de straffen die door rechters worden uitgedeeld te laag vinden. Hoogleraar Jan de Keijser benadrukt dat deze kloof kleiner wordt als leken meer informatie krijgen over een zaak en de opgelegde straf.


Hoe meer informatie, hoe kleiner de kloof
Een simpele survey-stelling, 'er wordt te licht bestraft in Nederland', werd de afgelopen 30 jaar door een grote meerderheid van de respondenten met 'ja' beantwoord. Je zou dus zeggen dat er een behoorlijk verschil zit in de hoogte van straffen die rechters uitdelen en de wens van de burger. Hoogleraar Criminologie Jan de Keijser nuanceert dit beeld. 'Als je een ander soort onderzoek doet, namelijk door ondervraagden een specifieke casus voor te leggen, oordeelt de leek al wat milder. Hoe meer informatie een leek krijgt, hoe genuanceerder de straf. Met nog meer informatie en zelfs de mogelijkheid tot vragen stellen bij deskundigen en rechters, pakt de beoogde straf onder onderzochten nog lager uit. De straf die leken geven, blijft wel hoger dan de straf die rechters opleggen.'
Op basis van dat resultaat zou je denken: geef het publiek permanent meer informatie, en de kloof verdwijnt. De Keijser: 'Helaas werkt het in de praktijk niet zo. Beter informeren is moeilijk, en vaak hebben mensen daar ook geen behoefte aan. Ten eerste worden er in Nederland al diverse initiatieven genomen om het publiek te informeren, zoals rechtspraak.nl. Dat lijkt niet heel erg aan te slaan bij gewone burgers. Daarnaast blijkt uit internationaal onderzoek dat het effect van meer informatie heel tijdelijk is. Deelnemers hadden meer informatie over rechtszaken gekregen en dachten daardoor genuanceerder over straffen in het algemeen. Maar dat effect ebde weg en twee maanden later dachten ze alweer ongenuanceerder over straffen.'

Zouden de media dan misschien een rol kunnen spelen door uitgebreidere, meer genuanceerde berichtgeving over rechtszaken? Daar lijkt het niet op. De Keijser werkte in eerder onderzoek samen met het Brabants Dagblad, die een tijd lang meer informatie gaf over strafzittingen via de genuanceerde berichtgeving van een door het dagblad samengestelde lekenjury. Vervolgens werd gemeten of de lezers van deze krant anders over straffen dachten dan lezers van het Limburgs Dagblad, dat niet uitgebreider over strafzittingen schreef. Er bleek geen verschil te zijn.


De kloof vormt geen bedreiging voor het strafsysteem
De kloof tussen publiek en de rechtspraak lijkt hardnekkig te zijn, maar het is de vraag of daarmee de legitimiteit van het rechtssysteem in gevaar komt. De Keijser bracht door zijn onderzoek namelijk nog een opmerkelijk feit boven tafel: ook al vinden burgers dat er te licht wordt bestraft, ze zijn helemaal niet ontevreden over rechters of over het strafsysteem. 'Er kan dus een kloof bestaan, terwijl de legitimiteit van het systeem niet in het geding is. Er is ook onderzoek gedaan naar mogelijkheden om de kloof te dichten door de invoer van lekenrechtspraak, bijvoorbeeld door middel van een jury zoals we dat kennen uit Amerika. Uit dat onderzoek bleek dat een meerderheid in Nederland juist tegen zo'n vorm van rechtspraak is: rechtspraak moet worden overgelaten aan de professionals, vindt men.'

De Keijser en zijn collega's blijven op allerlei manieren onderzoek doen naar de publieke opinie over straffen.

'De twee typen onderzoek die nu bestaan - enerzijds mensen een directe vraag of stelling voorleggen over straffen, anderzijds ze eerst meer informatie geven en ze dán naar hun mening over straffen vragen - hebben nadelen. In beide gevallen lijkt het antwoord van ondervraagden beïnvloed door de onderzoeksmethode. ‘Daarom  bekijkt promovendus Lucas Noyon de beste methoden om de publieke opinie over straffen te meten. Hij gaat op zoek naar de merites van een derde poot van meten: een dialoog volgen tussen het publiek en het Openbaar Ministerie.’

Nederlanders zien een jury bestaande uit gewone mensen, zoals in Amerika gebruikelijk is, niet zitten.

Nederlanders zien een jury bestaande uit gewone mensen, zoals in Amerika gebruikelijk is, niet zitten.

Bestraffing zonder strafrechter

In Nederland leggen niet alleen strafrechters straffen op. Ook het Openbaar Ministerie en overheden zijn bevoegd om straffen uit te delen. Leidse experts onderzoeken hoe deze processen van bestraffing verlopen en kunnen worden verbeterd, onder meer om de rechtspositie van burgers te beschermen.


De introductie van de strafbeschikking
Er is de afgelopen twintig jaar veel veranderd in het traditionele Nederlandse strafrecht. Hoogleraar Jan Crijns schetst de belangrijkste veranderingen. 'Sinds jaar en dag zijn we eraan gewend dat je niet voor ieder 

vergrijp voor de rechter komt. Steel je een fiets, dan wordt dat afgehandeld door het Openbaar Ministerie. Dit gebeurt sinds 2008 via de zogeheten strafbeschikking. De Officier van Justitie kijkt naar een dossier en legt op basis daarvan een straf op. Die straf is bijvoorbeeld een taakstraf of een geldboete. Hij doet dat voor overtredingen of misdrijven waar maximaal zes jaar gevangenisstraf op staat, van verkeersdelicten tot mishandeling.' Als de Officier denkt dat er een gevangenisstraf moet worden opgelegd, dan gaat een dossier alsnog naar de rechter. Deze mag als enige een gevangenisstraf opleggen.

De eerste paar keren dat iemand een fiets steelt krijgt hij over het algemeen een geldboete opgelegd. Bij herhaaldelijk in de fout gaan staat er op het stelen van een fiets ca. 3 weken gevangenisstraf.

De eerste paar keren dat iemand een fiets steelt krijgt hij over het algemeen een geldboete opgelegd. Bij herhaaldelijk in de fout gaan staat er op het stelen van een fiets ca. 3 weken gevangenisstraf.


Bestraffing binnen andere rechtsgebieden
'De introductie van de strafbeschikking vormde een grote doorbraak, omdat tot dat moment binnen het strafrecht alleen de rechter straffen kon opleggen', vervolgt Crijns. 'Die doorbraak kon plaatsvinden omdat er ook al binnen andere rechtsgebieden dan het strafrecht buiten de rechter om werd bestraft. Sinds de jaren ’80 kunnen ook verschillende bestuursorganen bestraffende sancties opleggen. Dit begon bescheiden met het uitdelen van bestuurlijke boetes voor lichte verkeersovertredingen of kleine vergrijpen op gemeentelijk niveau, maar langzamerhand breidde deze bevoegdheid voor bestuursorganen zich steeds verder uit naar andere gebieden. Zo kan tegenwoordig de Autoriteit Consument en Markt binnen het mededingingsrecht zeer hoge bestuurlijke boetes opleggen aan bedrijven die een kartel vormen. Allemaal bevoegdheden die traditioneel in het strafrecht thuishoorden.'


Indringender toetsen door de bestuursrechter
Zowel binnen als buiten het strafrecht wordt er dus buiten de rechter om bestraft. Maar er is nog weinig bekend over wat er allemaal tijdens deze processen van bestraffing gebeurt. Dat onderzoek is zeer gewenst. Voldoet de strafbeschikking door het OM bijvoorbeeld wel aan de eisen die de maatschappij stelt aan straffen en de wijze waarop deze worden opgelegd?
 

Daarnaast is de vraag of de rechtspositie van burgers die langs de weg van het bestuursrecht worden bestraft, wel altijd goed is geborgd. Crijns: 'Een strafrechter toetst indringend of een bepaalde straf passend is, de bestuursrechter, die strafoplegging door overheden controleert, doet dit van oudsher marginaal. Het is in de afgelopen tijd wel verbeterd, maar het kan nog uitgebreider.'

Crijns en zijn collega's doen op diverse manieren onderzoek naar het straffen buiten de rechter om. Zo vergelijkt hij de rechtspositie van burgers binnen het stafrecht met de rechtspositie binnen het

Gemeentes mogen boetes uitdelen voor lichte verkeersovertredingen.

Gemeentes mogen boetes uitdelen voor lichte verkeersovertredingen.

bestuursrecht. Daarnaast heeft Crijns samen met onderzoeker Renée Kool van de Universiteit Utrecht een preadvies geschreven voor de jaarvergadering van de Nederlandse Juristenvereniging. In dit preadvies gaan zij in op de vraag of bestraffing langs de klassieke weg van de rechterlijke procedure zijn langste tijd heeft gehad. Niet alleen bestraffing via strafbeschikking maar ook de rol van mediation in het strafrecht wordt nader onder de loep gelegd. Kool en Crijns adviseren om mediation in het strafrecht een ruimere plaats te geven met bijvoorbeeld een tweetrapsraket: kijk eerst wat dader en slachtoffer onderling kunnen bereiken en neem dat vervolgens mee in het bepalen van een straf.

Experts

  • Pauline Schuyt
  • Paul Nieuwbeerta
  • Hanneke Palmen
  • Anke Ramakers
  • Jeroen ten Voorde
  • Jan de Keijser
  • Jan Crijns
  • Beatrijs Jue-Volker
  • Michiel van Emmerik
  • Ben van Velthoven
  • Anouk Bosma
  • Esther van Ginneken
  • Sigrid van Wingerden
  • Miranda Sentse
  • Miranda Boone
  • Joni Reef
  • Hilde Wermink

Pauline SchuytHoogleraar Sanctierecht en straftoemeting

Topics: Materieel strafrecht, penitentiair recht, strafmotivering, strafrecht, straftoemeting

+31 (0)71 527 7526

Paul NieuwbeertaHoogleraar Criminologie

Topics: Criminele carrières, criminologie, gevangenisstraf, levensloopcriminologie, levensloopsociologie, strafrechtelijke interventies

+31 (0)71 527 7642

Hanneke PalmenUniversitair docent

Topics: Criminologie, gevangenisstraf, kwantitatief onderzoek, levensloopcriminologie, sociale relaties

+31 (0)71 527 8528

Anke RamakersUniversitair docent

Topics: Criminologie, gevangenisstraf, kwantitatief onderzoek, levensloopsociologie

+31 (0)71 527 7362

Jeroen ten VoordeUniversitair hoofddocent

Topics: Materieel strafrecht, rechtstheorie, strafrecht, strafrechtsfilosofie

+31 (0)71 527 8928

Jan de KeijserHoogleraar Criminologie

Topics: Criminologie, publieke opinie, rechtspsychologie, straftoemeting

+31 (0)71 527 7228

Jan CrijnsHoogleraar Straf- en Strafprocesrecht

Topics: Buitengerechtelijke afdoening, kroongetuigen, strafprocesrecht, strafrecht, strafrechtelijk beleid

+31 (0)71 527 7521

Beatrijs Jue-VolkerDocent

Topics: Openbare orde, strafrecht, veiligheid

+31 (0)71 527 7528

Michiel van EmmerikUniversitair hoofddocent

Topics: Bestuursrecht, Handhaving, Europese grondrechten

+31 (0)71 527 8945

Ben van VelthovenUniversitair hoofddocent

Topics: Economie, rechtseconomie

+31 (0)71 527 7536

Anouk BosmaUniversitair Docent

Topics: Criminologie, evaluatieonderzoek, gedragsinterventies, gevangenisstraf, jeugdcriminaliteit, kwantitatief onderzoek

+31 (0)71 527 6446

Esther van GinnekenUniversitair docent

Topics: Criminologie, desistance, gevangenissen, detentiebeleving

+31 (0)71 527 2827

Sigrid van WingerdenUniversitair hoofddocent

Topics: Criminologie, straftoemeting

+31 (0)71 527 8588

Miranda SentseUniversitair docent

Topics: Adolescentie, antisociaal gedrag, criminologie, invloed van leeftijdgenoten, pesten, sociale status

+31 (0)71 527 6263

Miranda BooneHoogleraar Criminologie

Topics: Criminologie

+31 (0)71 527 7528

Joni ReefUniversitair docent

Topics: Criminologie, delinquent gedrag, epidemiologie, neuropsychologie

+31 (0)71 527 8596

Hilde Wermink Universitair docent

Topics: Criminologie, gevangenisstraf, kwantitatief onderzoek, strafrechtelijke interventies, straftoemeting

+31 (0)71 527 7417

Onderwijs

Wisselwerking tussen onderzoek en praktijk

De kennis die Leidse onderzoekers opdoen over bestraffing wordt direct verweven in het juridische en criminologische onderwijs aan de universiteit. 'Juist de wisselwerking tussen academisch onderzoek en actuele vragen uit de samenleving wil ik terug laten komen in het onderwijs door mijn studenten dezelfde vragen voor te leggen die bijvoorbeeld rechters, de Reclassering, het Ministerie van Veiligheid en Justitie of directeuren van Penitentiaire Instellingen aan mij stellen,' zegt Pauline Schuyt. 'Het is dan aan mij als docent om te laten zien dat deze praktische vragen ook op een academische manier en door het doen van wetenschappelijke onderzoek kunnen worden beantwoord.'

Verder delen Leidse experts hun inzichten buiten de collegezaal. Zo verzorgen ze regelmatig cursussen en lezingen voor onder andere de Raad voor de Rechtspraak, strafrechters, officieren van justitie, advocaten, het Ministerie voor Veiligheid en Justitie, medewerkers van de Dienst Justitiële Inrichtingen en Reclassering Nederland.

Nieuws

Nieuws

Agenda